toevoer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- toe·voer
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toevoer | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
toevoer m
- het pad waarlangs iets een bepaalde plek bereikt
- Daarmee raakte de toevoer van koelwater geblokkeerd.
- datgene wat toegevoerd wordt
- De toevoer van koelwater is niet groot genoeg.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| toevoeren |
toevoer
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toevoeren
- ... dat ik toevoer.