gezicht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·zicht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gezicht | gezichten |
| verkleinwoord | gezichtje | gezichtjes |
Zelfstandig naamwoord
gezicht o
- (anatomie) de voorkant van een menselijk hoofd
- De neus, de mond en de ogen zijn delen van het gezicht.
- het vermogen om te kunnen te zien
- Zijn gezicht ging achteruit en daarom moest hij een bril gaan dragen.
- dat wat men ziet, een landschap
- Van op die bergtop zie je een mooi gezicht.
Synoniemen
- [1] gelaat
Afgeleide begrippen
- [1] gezichtmassage
- [2] gezichtsvermogen, gezichtsverlies
- [3] gezichtseinder, gezichtsveld, vergezicht, zicht
Verwante begrippen
- [1] bakkes, plaat, ponem, smoel, tronie
- [2] gehoor, reuk, smaak
- [3] aanblik, beeld, tafereel, oog, ogenschouw, waarneming
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: recht in het gezicht kijken
de ander aankijken, in de ogen kijken
- [1]: recht in het gezicht zeggen
een mening openlijk aan een aanwezige meedelen
- [2]: op het eerste gezicht
vluchtig bezien, oppervlakkig bekeken
- [2]: het tweede gezicht
helderziendheid, voor anderen verborgen beelden kunnen zien
- [3]: in het (ge)zicht komen
met het oog waarneembaar worden
- [3]: een mooi gezicht
een gelaat met goede verhoudingen en regelmatige trekken
- [3]: dat is geen gezicht
een onaangenaam tafereel
Vertalingen
1. de voorkant van een menselijk hoofd
3. dat wat men ziet, een landschap
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zichten |
gezicht
- voltooid deelwoord van zichten
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.