gezicht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·zicht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gezicht | gezichten |
| verkleinwoord | gezichtje | gezichtjes |
Zelfstandig naamwoord
gezicht o
- (anatomie) de voorkant van een menselijk hoofd
- De neus, de mond en de ogen zijn delen van het gezicht.
- het feit te zien
- Zijn gezicht ging achteruit en daarom moest hij een bril gaan dragen.
- dat wat men ziet, een landschap
- Van op die bergtop zie je een mooi gezicht.
Vertalingen
1. de voorkant van een menselijk hoofd
3. dat wat men ziet, een landschap
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zichten |
gezicht
- voltooid deelwoord van zichten
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.