gezicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8,
9, 10, 11, 12, 13, 14
15, 16, 17, 18, 19
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zicht
enkelvoud meervoud
naamwoord gezicht gezichten
verkleinwoord gezichtje gezichtjes

Zelfstandig naamwoord

gezicht o

  1. (anatomie) de voorkant van een menselijk hoofd
    De neus, de mond en de ogen zijn delen van het gezicht.
  2. het feit te zien
    Zijn gezicht ging achteruit en daarom moest hij een bril gaan dragen.
  3. dat wat men ziet, een landschap
    Van op die bergtop zie je een mooi gezicht.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zichten

gezicht

  1. voltooid deelwoord van zichten

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen