oog

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog
enkelvoud meervoud
naamwoord oog ogen
verkleinwoord oogje oogjes

Zelfstandig naamwoord

oog o

  1. (anatomie) een gezichtsorgaan van een mens of dier voor het waarnemen van lichtprikkels.
    Zijn oog functioneert niet correct meer.
  2. een blik die men op iets richt.
    Alle ogen waren op die man gericht.
  3. elk van de putjes op dobbel- en dominostenen die de waarde ervan aangeven.
    De ogen van de dobbelsteen waren licht beschadigd.
  4. een oogvormige opening van sommige voorwerpen.
    Er zat een draad door het oog van een naald.
  5. een hoefijzervormig ringetje aan kledingstukken waarin een haakje wordt bevestigd.
  6. een uitgevloeide druppel vet op soep.
  7. de knop van een plant.
  8. plek op een aardappel waar bij het uitlopen een worteltje kan ontstaan.
  9. oogvormig versiersel op de staart van pauwen en op de vleugels van sommige vlinders.
  10. het centrum van een cycloon waar windstilte heerst.
    Zijn huis was middenin het oog van de cycloon gepositioneerd.
Spreekwoorden

Met het blote oog waarneembaar.

  • Zichtbaar zonder optische hulpmiddelen.

Oog om oog, tand om tand.

  • Rechtvaardiging van een wraakactie.

Iemand met schele ogen aankijken.

  • Jaloers zijn op iemand.

Iemand zand in de ogen strooien.

  • Iemand misleiden.

Twee ogen zien meer dan één.

  • Wat de één niet ziet, valt wellicht de ander op.

Een oogje hebben op iemand.

  • Verliefd zijn op iemand.

Iets voor ogen houden.

  • Ergens steeds aan denken.

Iets met lede ogen aanzien.

  • Iets met spijt aanzien.

Het oog van de meester maakt het paard vet.

  • Toezicht zorgt ervoor dat de zaken goed gedijen.

Onder vier ogen.

  • Zonder de aanwezigheid van derden.

Een oogje in het zeil houden.

  • Ergens wakend op toezien.

Iets onder ogen zien.

  • Zich iets realiseren.

Zo op het oog.

  • Afgaand op een oppervlakkige indruk.
Vertalingen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ogen

oog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
    Ik oog.
  2. gebiedende wijs van ogen
    Oog!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
    Oog je?


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /uə̯χ/
enkelvoud meervoud
oog

Zelfstandig naamwoord

oog

  1. (anatomie) oog.
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/oog"
Persoonlijke instellingen