oog
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- oog
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oog | ogen |
| verkleinwoord | oogje | oogjes |
Zelfstandig naamwoord
oog o
- (anatomie) een gezichtsorgaan van een mens of dier voor het waarnemen van lichtprikkels.
- Zijn oog functioneert niet correct meer.
- een blik die men op iets richt.
- Alle ogen waren op die man gericht.
- elk van de putjes op dobbel- en dominostenen die de waarde ervan aangeven.
- De ogen van de dobbelsteen waren licht beschadigd.
- een oogvormige opening van sommige voorwerpen.
- Er zat een draad door het oog van een naald.
- een hoefijzervormig ringetje aan kledingstukken waarin een haakje wordt bevestigd.
- een uitgevloeide druppel vet op soep.
- de knop van een plant.
- plek op een aardappel waar bij het uitlopen een worteltje kan ontstaan.
- oogvormig versiersel op de staart van pauwen en op de vleugels van sommige vlinders.
- het centrum van een cycloon waar windstilte heerst.
- Zijn huis was middenin het oog van de cycloon gepositioneerd.
Spreekwoorden
Met het blote oog waarneembaar.
- Zichtbaar zonder optische hulpmiddelen.
Oog om oog, tand om tand.
- Rechtvaardiging van een wraakactie.
Iemand met schele ogen aankijken.
- Jaloers zijn op iemand.
Iemand zand in de ogen strooien.
- Iemand misleiden.
Twee ogen zien meer dan één.
- Wat de één niet ziet, valt wellicht de ander op.
Een oogje hebben op iemand.
- Verliefd zijn op iemand.
Iets voor ogen houden.
- Ergens steeds aan denken.
Iets met lede ogen aanzien.
- Iets met spijt aanzien.
Het oog van de meester maakt het paard vet.
- Toezicht zorgt ervoor dat de zaken goed gedijen.
Onder vier ogen.
- Zonder de aanwezigheid van derden.
Een oogje in het zeil houden.
- Ergens wakend op toezien.
Iets onder ogen zien.
- Zich iets realiseren.
Zo op het oog.
- Afgaand op een oppervlakkige indruk.
Vertalingen
1. een gezichtsorgaan van een mens of dier voor het waarnemen van lichtprikkels
Afgeleide begrippen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
| ogen |
oog
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
- Ik oog.
- gebiedende wijs van ogen
- Oog!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
- Oog je?
Afrikaans
Uitspraak
- IPA: /uə̯χ/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| oog | oë |
Zelfstandig naamwoord
oog