smaak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- smaak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | smaak | smaken |
| verkleinwoord | smaakje | smaakjes |
Zelfstandig naamwoord
smaak
- zintuig waarmee men mee proeft
- gewaarwording bij het proeven van eten en drank
- bepaalde subjectieve voorkeur
Vertalingen
2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| smaken |
smaak
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaken
- Ik smaak.
- gebiedende wijs van smaken
- Smaak!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaken
- Smaak je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.