pols

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pols
enkelvoud meervoud
naamwoord pols polsen
verkleinwoord polsje polsjes

Zelfstandig naamwoord

pols m

  1. (anatomie) een handgewricht
  2. een klopping in de polsslagader
Spreekwoorden

De vingers aan de pols houden.

De nieuwste ontwikkelingen bijhouden.

Iets uit de losse pols doen.

Iets met groot gemak doen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
polsen

pols

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polsen
    Ik pols.
  2. gebiedende wijs van polsen
    Pols!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polsen
    Pols je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen