pols
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pols
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pols | polsen |
| verkleinwoord | polsje | polsjes |
Zelfstandig naamwoord
pols m
- (anatomie) een handgewricht
- een klopping in de polsslagader
Spreekwoorden
De vingers aan de pols houden.
- De nieuwste ontwikkelingen bijhouden.
Iets uit de losse pols doen.
- Iets met groot gemak doen.
Vertalingen
anatomie: 1. een hand gewricht
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| polsen |
pols