gehoor

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·hoor
enkelvoud meervoud
naamwoord gehoor
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gehoor o

  1. het systeem om te horen.
    Mijn opa's gehoor was erg slecht geworden.
Persoonlijke instellingen