enkel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·kel
enkelvoud meervoud
naamwoord enkel enkels
verkleinwoord enkeltje enkeltjes

Zelfstandig naamwoord

enkel

  1. m (anatomie) gewricht dat de voet met het been verbindt
  2. o (sport) enkelspel
Vertalingen

Meer informatie

stellend
onverbogen enkel
verbogen enkele

Bijvoeglijk naamwoord

enkel

  1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
Antoniemen
Vertalingen

Bijwoord

enkel

  1. niet dubbel
  2. niet meer dan
Synoniemen
Vertalingen

Voornaamwoord

enkel

  1. weinig, een paar
    Er valt vandaag een enkele bui.
    Enkele vragen hebben.
Verwante begrippen
Vertalingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Nederduits.

Bijvoeglijk naamwoord

enkel

  1. enkel, simpel, sober
  2. bescheiden, natuurlijk
    «Prinsessen var kledt i en enkel kjole.»
    De prinses was kledt in een eenvoudige jurk.
  3. zonder extra kosten.
  4. eenvoudig, gemakkelijk
    «Maskinen er enkel å betjene.»
    De machine is eenvoudig te bedienen.
Verbuiging
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Nederduits.

Bijvoeglijk naamwoord

enkel

  1. enkel, simpel, sober
  2. bescheiden, natuurlijk
  3. zonder extra kosten.
  4. eenvoudig, gemakkelijk
Verbuiging
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen