hals

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8,
9, 10, 11, 12, 13, 14
15, 16, 17, 18, 19
Uitspraak
Woordafbreking
  • hals
enkelvoud meervoud
naamwoord hals halzen
verkleinwoord halsje halsjes

Zelfstandig naamwoord

hals m

  1. (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
  2. gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt
  3. goedaardig, onnozel mens
  4. op een hals lijkend deel van een voorwerp
Verwante begrippen
  1. halsbrekend, halsdoek, halsoverkop, halssnoer, keel, nek
  2. V-hals
  3. waaghals
  4. flessenhals
Spreekwoorden
  • Iemand om de hals vliegen
Iemand vol enthousiasme omhelzen.
  • Zich iets op de hals halen
Voor zichzelf een probleem creëren.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hals

Zelfstandig naamwoord

hals g

  1. (anatomie) hals.
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen