hals
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hals
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hals | halzen |
| verkleinwoord | halsje | halsjes |
Zelfstandig naamwoord
hals m
- (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
- gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt
- goedaardig, onnozel mens
- op een hals lijkend deel van een voorwerp
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Iemand om de hals vliegen
- Iemand vol enthousiasme omhelzen.
- Zich iets op de hals halen
- Voor zichzelf een probleem creëren.
Hyponiemen
- baarmoederhals, draaihals, flessenhals, ganzenhals, jakhals, kromhals, roodhals, scheefhals, v-hals, waaghals, zwanenhals
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Zweeds
Uitspraak
Woordafbreking
- hals
Zelfstandig naamwoord
hals g
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | hals | halsen | halsar | halsarna |
| genitief | hals | halsens | halsars | halsarnas |