hals

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hals
enkelvoud meervoud
naamwoord hals halzen
verkleinwoord halsje halsjes

Zelfstandig naamwoord

hals m

  1. (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt.
  2. gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt.
  3. goedaardig, onnozel mens.
  4. op een hals lijkend deel van een voorwerp.
Spreekwoorden
  • Iemand om de hals vliegen
Iemand vol enthousiasme omhelzen.
  • Zich iets op de hals halen
Voor zichzelf een probleem creëren.
Verwante begrippen
  1. halsbrekend, halsdoek, halsoverkop, halssnoer, keel, nek
  2. V-hals
  3. waaghals
  4. flessenhals
Vertalingen

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hals

Zelfstandig naamwoord

hals g

  1. (anatomie) hals.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hals     halsen     halsar     halsarna  
genitief   hals     halsens     halsars     halsarnas  
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen