elleboog
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- el·le·boog
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | elleboog | ellebogen |
| verkleinwoord | elleboogje | elleboogjes |
Zelfstandig naamwoord
elleboog m
- (anatomie) gewricht in het midden van de arm dat de bovenarm met de onderarm verbind.
- iets dat rechthoekige omgebogen is.
Spreekwoorden
- De ellebogen gebruiken.
- De omstanders opzij dringen.
- Iets achter de ellebogen hebben.
- Iets in je schild voeren, snode plannen hebben.
Vertalingen
1. Gewricht