geluid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·luid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | geluid | geluiden |
| verkleinwoord | geluidje | geluidjes |
Zelfstandig naamwoord
geluid o
- trillingen in de lucht of andere substantie die door het oor waargenomen kunnen worden
- 's Avonds hoorden wij in onze hut in het Krugerpark allerlei geluiden.
- standpunt, mening
- Dit geluid wordt in die kringen steeds vaker gehoord.
Afgeleide begrippen
- geluiddempend, geluiddicht, geluidsapparatuur, geluidsbarrière, geluidsgolf, geluidshinder, geluidsman, geluidsniveau, geluidsoverlast, geluidssterkte, geluidstrilling
Verwante begrippen
Vertalingen
1. trillingen in de lucht of andere substantie die door het oor waargenomen kunnen worden
2. standpunt, mening
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| luiden |
geluid
- voltooid deelwoord van luiden
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.