ring

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ring
enkelvoud meervoud
naamwoord ring ringen
verkleinwoord ringetje ringetjes

Zelfstandig naamwoord

ring m

  1. een cirkelvormig sieraad voor om de vinger.
    Hoe vaak draagt u uw ring?
  2. een cirkelvormig voorwerp.
    De ringen van Saturnus zijn indrukwekkend.
  3. een plaats waar gestreden wordt.
    Hij kwam de ring in en werd toegejuigd.
  4. een gebied waar bestuurd wordt.
    Hij woont in die ring op de kaart.
  5. een rondweg.
    Bij de volgende ring gaan we rechtaf.


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to ring
he/she/it rings
verleden tijd ringed
voltooid
deelwoord
ringed
onvoltooid
deelwoord
ringing
gebiedende wijs ring

Werkwoord

ring

  1. bellen
Persoonlijke instellingen