ring
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ring
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ring | ringen |
| verkleinwoord | ringetje | ringetjes |
Zelfstandig naamwoord
ring m
- een cirkelvormig sieraad voor om de vinger.
- Hoe vaak draagt u uw ring?
- een cirkelvormig voorwerp.
- De ringen van Saturnus zijn indrukwekkend.
- een plaats waar gestreden wordt.
- Hij kwam de ring in en werd toegejuigd.
- een gebied waar bestuurd wordt.
- Hij woont in die ring op de kaart.
- een rondweg.
- Bij de volgende ring gaan we rechtaf.
Engels
Uitspraak
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to ring |
| he/she/it | rings |
| verleden tijd | ringed |
| voltooid deelwoord |
ringed |
| onvoltooid deelwoord |
ringing |
| gebiedende wijs | ring |
Werkwoord
ring