binden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binden
bond
gebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

binden

  1. vastmaken (evt. figuurlijk)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen


Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈbindn̩/, /ˈbindən/
Woordafbreking
  • bin·den
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binden
/ˈbindn̩/, /ˈbindən/
band
/bant/
gebunden
/gəˈbʊndn̩/, /gəˈbʊndən/
volledig

Werkwoord

binden

  1. binden



Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
binden bant bonden gebonden
klasse 3 volledig  

Werkwoord

binden

  1. binden