zenit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·nit
enkelvoud meervoud
naamwoord zenit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zenit o

  1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
    Alleen in landen tussen beide keerkringen staat de zon soms in het zenit.
  2. een hoogtepunt
    Hij was in het zenit van zijn roem.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Baskisch

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

zenit m

  1. zenit


Deens

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Hongaars

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Italiaans

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Roemeens

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Turks

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit