zenit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Zenit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·nit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toppunt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1595 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zenit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zenit o

  1. (astronomie) het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
    • Alleen in landen tussen beide keerkringen staat de zon soms in het zenit. 
  2. (figuurlijk) hoogtepunt
    • Hij was in het zenit van zijn roem. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Baskisch

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

zenit m

  1. zenit


Deens

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Hongaars

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·nit

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
zenit zenit

zenit m

  1. (astronomie) zenit
  2. (figuurlijk) toppunt


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Roemeens

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Turks

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

zenit

  1. zenit