absolutief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·so·lu·tief
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord absolutief absolutieven
verkleinwoord absolutiefje absolutiefjes

Zelfstandig naamwoord

absolutief m

  1. (grammatica) een naamval die voorkomt in ergatieve talen en die gewoonlijk gebruikt wordt voor:
    1. het onderwerp van een onovergankelijk werkwoord,
    2. het lijdend voorwerp van een overgankelijk werkwoord,
    3. het naamwoordelijk deel van het gezegde
    4. in plaats van de vocatief

Gangbaarheid

Meer informatie