directief
Uiterlijk
- di·rec·tief
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | directief | directieven |
| verkleinwoord | - | - |
het directief o
- m (taalkunde) een naamval die de richting waarin de handeling voert weergeeft
- Het Baskisch kent een directief.
- o een dwingende opdracht gewoonlijk van een overheid, richtlijn
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | directief | directiever | directiefst |
| verbogen | directieve | directievere | directiefste |
| partitief | directiefs | directievers | - |
directief
- Het woord directief staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "directief" herkend door:
| 85 % | van de Nederlanders; |
| 76 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ief in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Taalkunde in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 85 %
- Prevalentie Vlaanderen 76 %