pitvrucht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pit·vrucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pitvrucht pitvruchten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pitvrucht v/m

  1. van vruchten dat ze een kleine pit bevatten
    • Er bestaan pitvruchten, zoals appelen en peren, met kleine pitjes in een klokhuis. En er bestaan steenvruchten, zoals kersen, perziken en pruimen, met een dikke, harde pit in het hart. Maar dit jaar bestaat er verwarring: in de peren zit een steen. [1] 
    • Schenk: „Als we kunnen achterhalen wat die verschillen in allergeniciteit veroorzaakt, wordt het testen een stuk gemakkelijker. Veel mensen met een appel-allergie zijn ook allergisch voor kersen, perziken en andere pitvruchten. [2] 
  2. benaming van een smaak van wijn
    • Smaak: begint fluwelig en mondvullend met pitvruchten en kruiden, eik en duidelijk aanwezige tannine. In het middenrif is de smaak geëvolueerd en toont een begin van verdroging. Een pittig accent versterkt de einddronk, gekenmerkt door nootmuskaat en kruidnagel. [3] 
Hyponiemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Standaard 8 JANUARI 2018 KIJK UIT BIJ HET ETEN VAN EEN CONFERENCE
  2. NRC Marion de Boo 24 november 2007 Tranen van pure chocolade
  3. De Standaard 19 MEI 2007 Supermarkt of wijnhandel? door smonne wellekens