vruchtgenot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrucht·ge·not
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vruchtgenot -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vruchtgenot o

  1. (juridisch) zakelijk recht om een anders goed te gebruiken en de vruchten daarvan te trekken, alsof men zelf eigenaar was
Synoniemen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be