hij-vorm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hij-vorm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hij-vorm hij-vormen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hij-vorm m

  1. (letterkunde) manier van vertellen waarbij het verhaal wordt gedaan door een figuur die de auteur in de derde persoon opvoert
     In een interview in 1962 ging Hermans uitgebreid in op de concurrentie tussen de roman en de film. Het voordeel van de film was dat de kijker in een donkere zaal zat. „Zijn blik is op één bepaald lichtpunt geconcentreerd en daardoor krijg je, dat van een film een enorme hypnotische macht uitgaat.” Die macht wilde hij ook. Daarom vroeg hij zich steeds af welke vorm hij moest kiezen, de ik-vorm of de hij-vorm. Zat de verteller in het hoofd van het karakter of keek hij van buiten naar hem?[1]
     Wie het verzonnen heeft, ben ik vergeten; maar nog steeds worden generaties scholieren opgescheept met het begrip ‘auctoriale verteller’. Samen met de ‘ik-verteller’ en de ‘personale verteller’ (die gebruik maakt van de hij-vorm) vormt deze alwetende verteller de heilige drie-eenheid van de verhaalanalyse, die het leesplezier in de klas niet echt verhoogt.[2]
     Hij viert zijn varieerlust bot door wisselende vertellers in te voeren, door ik-vormen af te wisselen met hij-vormen of door beide te combineren met wij-vormen, wat aan het klassieke koor herinnert.[3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 11 juli 2021 Weblink bron Willem Otterspeer “Beyond Life” (10 februari 2016) op nrc.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 11 juli 2021 Weblink bron Pieter Steinz “Het alledagenfeestgevoel” (26 augustus 2006) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 11 juli 2021 Weblink bron Georges Wildemeersch Hugo Claus (°1929) Europees kunstenaar in: Vlaanderen., 289 jrg. 51 nr. 1 (januari/februari 2002), Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond, Tielt, p. 49/50