vormen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
vormen vormend
vorming -
vormsel -
Uitspraak
Woordafbreking
  • vor·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vormen
vormde
gevormd
zwak -d volledig

Werkwoord

vormen

  1. in de juiste vorm brengen
    Ik wil eerst rondkijken en mezelf een mening vormen.
  2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
    Vanille-ijs en aardbeien vormden het toetje.
    Insecten vormen de grootste groep dieren op aarde.
  3. maken, veroorzaken
    Extremisten vormen een ernstige bedreiging voor onze samenlevening.
    Het vormt een te groot risico.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vormen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vorm