vormen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
vormen vormend
vorming -
vormsel -
Uitspraak
Woordafbreking
  • vor·men
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van vorm met het achtervoegsel -en ??
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vormen
vormde
gevormd
zwak -d volledig

Werkwoord

vormen

  1. in de juiste vorm brengen
    • Ik wil eerst rondkijken en mezelf een mening vormen. 
  2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
    • Vanille-ijs en aardbeien vormden het toetje. 
    • Insecten vormen de grootste groep dieren op aarde. 
  3. maken, veroorzaken
    • Extremisten vormen een ernstige bedreiging voor onze samenlevening. 
    • Het vormt een te groot risico. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vormen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vorm

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.