bootvorm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[2] bootvorm
Uitspraak
Woordafbreking
  • boot·vorm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bootvorm bootvormen
verkleinwoord bootvormpje bootvormpjes

Zelfstandig naamwoord

bootvorm m

  1. (scheepvaart) het uiterlijk van een boot
  2. van iets dat geen boot is: de vorm van een boot hebbend

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be