verkopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ko·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verkopen
verkocht
verkocht
zwak -cht volledig

Werkwoord

verkopen

  1. overgankelijk goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
    • Zij verkochten hun oude bank nadat zij een nieuwe hadden aangeschaft. 
     Ik ben eigenlijk loodgieter en heb al mijn gereedschap en mijn bestelbus verkocht, waarvan ik deze twee paarden heb gekocht voor 2500 dollar per stuk.[2]
     Goed werk moet zichzelf kunnen verkopen tenslotte.[2]
  2. ditransitief iemand slaan
    • Ik verkocht hem een klap voor z'n kop. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets per opbod verkopen
veilen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

verkopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord verkoop

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. verkopen op website: Etymologiebank.nl
  2. 2,0 2,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Werkwoord

verkopen

  1. verkopen; goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven


Veluws

Werkwoord

verkopen

  1. verkopen; goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven