verkoop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • ver·koop
enkelvoud meervoud
naamwoord verkoop verkopen
verkleinwoord verkoopje verkoopjes

Zelfstandig naamwoord

vérkoop m

  1. (handel) het verkopen (voor geld aan een ander geven)
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verkopen

verkóóp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkopen
    • Ik verkoop. 
  2. gebiedende wijs van verkopen
    • Verkoop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkopen
    • Verkoop je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie