vinde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vin·de

Werkwoord

vervoeging van
vinden

vinde

  1. aanvoegende wijs van vinden


Deens

Woordafbreking
  • vin·de

Bijvoeglijk naamwoord

vinde, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van vind

vinde, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van vind

Zelfstandig naamwoord

vinde, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van vind