inkoop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·koop
enkelvoud meervoud
naamwoord inkoop inkopen
verkleinwoord inkoopje inkoopjes

Zelfstandig naamwoord

inkoop m

  1. (handel) het kopen van goederen
    • Hij was inkopen wezen doen. 
  2. (handel) gekochte goederen
    • Hij had een deel van zijn inkopen bij de kassa laten staan. 
Synoniemen
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
inkopen

inkoop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkopen
    • ... dat ik inkoop. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie