vatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vat·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vatten
/vɑtə(n)/
vatte
/vɑtə/
gevat
(NL) /ɣəvɑt/
(VL) /ʝəvɑt/
zwak -t volledig

Werkwoord

vatten

  1. (overgankelijk) vastgrijpen, beetkrijgen
    Hij vat de dief bij de kraag.
  2. (overgankelijk) begrijpen
    Vat je het?
  3. opdoen
    Straks vat je nog kou zonder jas!
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • kou vatten
een verkoudheid opdoen
  • vuur vatten
in brand vliegen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

vatten o

  1. water
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   vatten     vattnet     vatten     vattnen  
genitief   vattens     vattnets     vattens     vattnens