opvatten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opvatten
opvatting


Woordafbreking
  • op·vat·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvatten
vatte op
opgevat
zwak -t volledig

Werkwoord

opvatten

  1. overgankelijk ~ als een bepaalde interpretatie aan iets geven
    • Hij heeft dat opgevat als een ernstige belediging. 
  2. overgankelijk opnemen van met name werk
    • Na een week vorstverlet werd het werk weer opgevat. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
opvatten

opvatten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van opvatten
    • ...dat wij opvatten. 
    • ...dat jullie opvatten. 
    • ...dat zij opvatten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie