struikelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strui·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
struikelen
struikelde
gestruikeld
zwak -d volledig

Werkwoord

struikelen

  1. ergatief het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
    • Er stak een stuk wortelstok uit de grond en hij struikelde daarover. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.