uitstapje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stap·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitstapje uitstapjes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitstapje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord uitstap
  2. dim. tant. kort plezierreisje
     Het zou dus ook een toeristisch uitstapje worden.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be