uitstapje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stap·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitstapje uitstapjes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitstapje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord uitstap
  2. dim. tant. kort plezierreisje
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen