toer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunststukje’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • Herkomst: Hebreeuws [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord toer toeriem
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

toer v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) rij, kolom
enkelvoud meervoud
naamwoord toer toeren
verkleinwoord toertje toertjes

Zelfstandig naamwoord

toer m [5]

  1. (rond)reis, tour
  2. omwenteling
  3. rij steken naast elkaar
  4. moeilijk, zwaar werk
  5. (techniek) winding waarmee een snoer of kabel om iets heengeslagen wordt
  6. beurt -> toerbeurt
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
toeren

toer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeren
    • Ik toer. 
  2. gebiedende wijs van toeren
    • Toer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeren
    • Toer je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen