waan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waan
enkelvoud meervoud
naamwoord waan wanen
verkleinwoord waantje waantjes

Zelfstandig naamwoord

waan m

  1. (psychologie) een min of meer van de werkelijkheid afgeleide droomwereld
    • Hij verkeerde in de waan dat hij als een vogel kon vliegen. 
  2. (psychologie) een overtuiging die gebaseerd is op een onjuiste waarneming of interpretatie van de werkelijkheid
    • Het onduidelijke testament bracht hem in de waan een rijk man te zijn. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: de waan van de dag
de actuele gekte
  • [2]: iemand in de waan laten
iemand niet de waarheid vertellen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wanen

waan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanen
    • Ik waan. 
  2. gebiedende wijs van wanen
    • Waan! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanen
    • Waan je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
wanen

waan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanen
    • Ik waan. 
  2. gebiedende wijs van wanen
    • Waan! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanen
    • Waan je?