transistorradio
Uiterlijk
- Geluid: transistorradio (hulp, bestand)
- IPA: / trɑnˈzɪstɔˌradijo / (6 lettergrepen)
- tran·sis·tor·ra·dio
- samenstelling van transistor zn en radio zn [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | transistorradio | transistorradio's |
| verkleinwoord | transistorradiootje | transistorradiootjes |
de transistorradio m
- (elektronica) toestel dat uitgezonden radiogolven via schakelingen van halfgeleiders kan omzetten in geluid, vooral gebruikt voor de draagbare uitvoering die dankzij de toepassing van halfgeleiders mogelijk werd
- ▸ Het ultieme zomergevoel in de jaren zestig was op het strand of aan het zwembad luisteren naar de transistorradio.[2]
- transistor (2)
- radio (1), radiotoestel
- radio, spoel, weerstand, condensator, variabele condensator, germaniumdiode, koptelefoon, puntcontactdiode, antenne, aardleiding
1.
- Het woord transistorradio staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron Kester Freriks“Vol overgave luisteren naar de transistorradio” (8 juli 2015) op nrc.nl
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 15
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 6 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Elektronica in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal