beurt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beurt
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geregelde volgorde’ voor het eerst aangetroffen in 1445 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord beurt beurten
verkleinwoord beurtje beurtjes

Zelfstandig naamwoord

beurt v/m

  1. een gelegenheid of opdracht die bij afwisseling aan één persoon uit meerdere gegeven wordt
    • De spelregels zeggen dat je dan je beurt moet overslaan. 
    • Wacht even, je moet wel op je beurt wachten. 
     Op 5 juli 2017 is het de beurt aan Fabio Aru. De Sardijn ontsnapt op 2,4 kilometer van de finish aan de wurggreep van Team Sky. Maar de verwachting dat hij het Froome in de Tour wel eens moeilijk zou kunnen maken, komt niet uit.[3]
  2. om de beurt: eerst A dan B en dan weer A enzovoorts
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
beuren

beurt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuren
    • Jij beurt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuren
    • Hij beurt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van beuren
    • Beurt! 

Verwijzingen