Naar inhoud springen

streep

Uit WikiWoordenboek
  • streep
  • In de betekenis van ‘lijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 918 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord streep strepen
verkleinwoord streepje streepjes

destreepv/m

  1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    • Als het fout is, zet de leraar er een dikke streep door. 
     De volgende dag stond ze ernaar te kijken, terwijl de zon achter haar raam nog slechts een smalle streep aan de horizon was.[2]
     Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.[3]
  2. (kleding) lijnvormig patroon, motief (gewoonlijk mv)
    • Een jurk met strepen. 
  3. (figuurlijk) een begrenzing die niet overtreden dient te worden
    • We zetten er een streep onder. 
    • Ik ging over de streep. 
     De man die het leven zo liefhad maar' er niet mee om kon gaan, de man die omgeven kon zijn door donker, die vluchtte voor zijn demonen, hij zette een streep van vuur.[4]
  4. (taalkunde) koppelteken
     In twee-onder-een-kapwoning staan streepjes tussen de delen van de woordgroep twee onder een kap (maar niet voor woning);[5]
  5. (eufemisme) (verouderd) toiletbezoek
  • [2]: Iemand over de streep trekken
Iemand ergens van weten te overtuigen, of iemand met succes ergens toe aanzetten
 Het was mijn populariteit die anderen over de streep trok en hem groot maakte.[6]
  • Een streep door de rekening halen
De schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben
 Als jij gaat beweren dat het niet om een echte Isaac Robles gaat, is dat een behoorlijke streep door de rekening voor hem.[2]
  • Een streep door de rekening zijn
Alles door de war halen
  • Er loopt een streep ( of streek) door
Gezegd van iemand die niet helemaal goed bij zinnen is [7]
  • Op zijn strepen staan
Opkomen voor datgene waar men recht op meent te hebben
  • Een streep aan de balk
Stoett-151 [8]
vervoeging van
strepen

streep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strepen
    • Ik streep. 
  2. gebiedende wijs van strepen
    • Streep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strepen
    • Streep je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]
  1. "streep" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink Weblink bron “Groot Dictee 2012: toelichting Onze Taal” (12 december 2012)
  6. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  7. www.dbnl.org
  8. www.dbnl.org
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be