kneep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kneep
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kunstgreep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1644 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kneep knepen
verkleinwoord kneepje kneepjes

Zelfstandig naamwoord

kneep v/m

  1. listigheid, truc, vaaardigheid
Uitdrukkingen en gezegden
  • daar zit de kneep
daar zit de moeilijkheid
  • de knepen kennen
de foefjes, trucjes kennen

Werkwoord

vervoeging van
knijpen

kneep

  1. enkelvoud verleden tijd van knijpen
    • Ik kneep. 
    • Jij kneep. 
    • Hij, zij, het kneep. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen