toertocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

toertocht op de schaats
Uitspraak
Woordafbreking
  • toer·tocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toertocht toertochten
verkleinwoord toertochtje toertochtjes

Zelfstandig naamwoord

toertocht m [1]

  1. een georganiseerde groepsreis die je maakt voor het plezier in het reizen zelf en voor de gezelligheid
    • Expeditie Noordkaap 2018 gaat zondag van start vanuit Lichtenvoorde. De expeditie is een toertocht van acht dagen naar het noordelijkste punt van het Europese continent. [2] 
    • Evert Groothuis uit Ootmarsum en zijn broer Conrad Groothuis uit Vasse hebben met de Ice Road Challenge 20.000 euro opgehaald voor de Twentse Wensambulance. De twee deden mee aan The Arctic Challenge, een toertocht voor personenauto’s door Scandinavië. [3] 
    • Er is geen duursport zoals schaatsen waarbij uithoudingsvermogen en kracht op dezelfde manier worden gecombineerd. Bij hardlopen en fietsen zijn de krachten lager, schaatsers verzuren veel sneller door de statische belasting. Het moment van ontspanning is heel kort. Met minder vermogen in mijn benen is het moeilijker om een kleine kniehoek te houden en de bochten door te komen. En ik wil wel semi-diep zitten, niet rijden alsof ik een toertocht doe. [4] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen