toerist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·rist
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘die reist voor zijn genoegen’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van toer, (stam van het werkwoord toeren) met het achtervoegsel -ist [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord toerist toeristen
verkleinwoord toeristje toeristjes

Zelfstandig naamwoord

toerist m

  1. een (mannelijk) persoon die voor zijn plezier reist (een toer maakt)
    • In dat land werd hij als een toerist ontvangen. 
    • En dan had je de toeristen. Ze waren er altijd en overal. Ze lieten zich schilderen, ze propten zich de musea binnen. Ze aten zich vol in St. Germain en daarna kwamen ze mij storen bij mijn avondwandeling. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen