broos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broos
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘breekbaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen broos brozer broost
verbogen broze brozere brooste
partitief broos brozers -

Bijvoeglijk naamwoord

broos

  1. niet stevig
     Omdat het allemaal nog zo broos was, maakte het nauwelijks uit dat sommige momenten wat gekunsteld overkwamen.[2]
     De broze grond was onder haar voeten vandaan geslagen, waarna de onvermijdelijke val volgde.[2]
  2. met een zwakke gezondheid
Verwante begrippen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen