iel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen iel ieler ielst
verbogen iele ielere ielste
partitief iels ielers -

Bijvoeglijk naamwoord

iel

  1. heel fijntjes
    • De ballerina was een heel iel meisje. 
    • Ik hoorde de iele kerkmuziek 's morgens vroeg door de kieren van de deur. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
67 % van de Vlamingen.