reet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reet reten
verkleinwoord reetje reetjes

Zelfstandig naamwoord

reet v/m

  1. (dysfemisme) (vulgair) kont, billen, achterwerk [1]
    hij had die dag een stekende pijn in zijn reet
  2. een (soms opengereten) spleet, een kier [2]
    Doordat onze kat er vaak haar klauwen aan aanscherpte, zat die oude leunstoel vol reten.
  3. plaats waar het vlas te weken wordt gelegd [3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rijten

reet

  1. enkelvoud verleden tijd van rijten
    Ik reet.
    Jij reet.
    Hij, zij, het reet.


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl