reet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reet reten
verkleinwoord reetje reetjes

Zelfstandig naamwoord

reet v/m

  1. (dysfemisme) (vulgair) kont, billen, achterwerk [1]
    hij had die dag een stekende pijn in zijn reet
  2. een (soms opengereten) spleet, een kier [2]
    Doordat onze kat er vaak haar klauwen aan aanscherpte, zat die oude leunstoel vol reten.
  3. plaats waar het vlas te weken wordt gelegd [3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rijten

reet

  1. enkelvoud verleden tijd van rijten
    Ik reet.
    Jij reet.
    Hij, zij, het reet.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl