llamar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • lla·mar

Werkwoord

llamar

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
llamar
llamaba
llamado
volledig
  1. (onovergankelijk) aankloppen, aanbellen
  2. (overgankelijk) roepen, ontbieden, laten komen
  3. oproepen tot/om
  4. noemen, benoemen, vernoemen
  5. bellen, telefoneren
  6. aanschrijven, aanzeggen, kennis geven
    «Mañana te llamo por teléfono.»
    Ik bel je morgen.
Verwante begrippen
Synoniemen
Verwijzingen