appeler

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
appeler
appelais
appelé
eerste groep volledig

Werkwoord

appeler

  1. (wederkerend) s'~: heten
  2. (overgankelijk) noemen, roepen