schreeuwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Schreeuwen.


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schreeu·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘luid roepen’ voor het eerst aangetroffen in 1479 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schreeuwen
schreeuwde
geschreeuwd
zwak -d volledig

Werkwoord

schreeuwen

  1. inergatief luid en geforceerd gebruik van het stemgeluid
    • "Pas op!", schreeuwde hij. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schreeuwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schreeuw

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen