Naar inhoud springen

roep

Uit WikiWoordenboek
  • roep
enkelvoud meervoud
naamwoord roep roepen
verkleinwoord roepje roepjes

deroepm

  1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
    • De roep van die vogel klinkt door het hele dorp. 
  2. faam, reputatie
vervoeging van
roepen

roep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roepen
    • Ik roep. 
  2. gebiedende wijs van roepen
    • Roep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roepen
    • Roep je? 
     'Slaap lekker!' roep ik haar nog na.[1]
     'Hé,' roep ik, terwijl ik op een drafje met mijn koffer achter hen aanloop.[1]
     'I love you,' roep ik haar na.[1]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2 3
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be