uitroepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·roe·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitroepen
riep uit
uitgeroepen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitroepen

  1. officieel verklaren
    • Hendrik VIII riep zichzelf uit tot hoofd van de Engelse kerk. 
    • De vakbond riep een staking uit. 
  2. uit emotie luid roepen
    • 'Wat een onzin!', roept hij geërgerd uit. 
  3. in de rechtspraak, het moment van aanvang van de (eerste) terechtzitting
    • Dit heeft ermee te maken dat in kort gedingen het uitroepen van de zaak pas plaatsvindt bij aanvang van de eerste terechtzitting; in bodemzaken daarentegen wordt de zaak uitgeroepen op de eerste rolzitting na ontvangst van de dagvaarding. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitroepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitroep

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.