oefenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fe·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oefenen
oefende
geoefend
zwak -d volledig

Werkwoord

oefenen [2]

  1. inergatief proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen
    • De solist was zijn solo aan het oefenen voordat hij een concert gaf. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen