Naar inhoud springen

oefenen

Uit WikiWoordenboek
  • oe·fe·nen
  • In de betekenis van ‘door herhaling bekwaam maken of worden’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oefenen
oefende
geoefend
zwak -d volledig

oefenen [3]

  1. overgankelijk proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen
    • De solist was zijn solo aan het oefenen voordat hij een concert gaf. 
     Zelf zal hij zich daarom juist steeds meer oefenen in de kunst van het aforismen schrijven - een kunst die hij wel vergelijkt met het slijpen van edelstenen of het bewerken van edelmetaal - om daarmee zijn lezers uit te dagen en te selecteren.[4]
     Thea's enige taken waren oefenen op de luit en haar mooiste jurk aantrekken.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]