oefening
Uiterlijk
- oe·fe·ning
- Naamwoord van handeling van oefenen met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oefening | oefeningen |
| verkleinwoord | oefeningetje | oefeningetjes |
de oefening v
- activiteit die erop gericht is om een vaardigheid te leren of te verbeteren
- De oefening bleek toch zwaarder dan gedacht.
- ▸ Sportgeschiedenis functioneert al te vaak als een oefening in nostalgie voor mannen van middelbare leeftijd.[1]
|
|
- Het is einde oefening
Het is afgelopen
- Oefening baart kunst
Men leert iets door het te oefenen
- ∗ Iets soortgelijks is, denk ik, wat mijn eigen moeder bedoelt wanneer ze zegt dat de tweede veel minder dan de eerste 'een experiment' is: dat de eerste haar of zijn ouders laat oefenen, en dat oefening kunst baart.[2]
- Het woord oefening staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "oefening" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Onno van Nijf“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275 - ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be