oefenduel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Oefenwedstrijd nederlands elftal tegen ijmuider stormvogels
Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fen·du·el
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oefenduel oefenduels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oefenduel o

  1. een wedstrijd die gespeeld wordt als training
    • Het Nederlands elftal ontvangt Engeland op 23 maart in Amsterdam, drie dagen later speelt het in Genève een oefenduel met Portugal.[1] 
    • De Nederlandse waterpolovrouwen hebben hun tweede oefenduel tijdens een trainingsstage in de Verenigde Staten verloren.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 23 feb. 2018
  2. de Telegraaf 17 dec. 2017