menen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
menen
/menə(n)/
meende
gemeend
zwak -d volledig

Werkwoord

menen

  1. (overgankelijk) de bedoeling hebben
    Hij meende dat hij hier niet op terug wou komen.
  2. serieus zijn
    Meen je dat nou echt?
  3. denken, een mening toegedaan zijn
    Hij meent misschien dat hem dit toegestaan is, maar hij vergist zich.
Vertalingen