(bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van menen
Meen je?
▸Ik meen aan de blik van Gijs te zien dat hij hetzelfde denkt.[1]
▸'Wát?! Wij werken ons het leplazarus en jij bent al met de concurrent aan het praten?! Dat meen je niet!' 'Het spijt me dat ik jullie hiermee overval.[1]