luis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Luis


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luis luizen
verkleinwoord luisje luisjes

Zelfstandig naamwoord

luis v/m

  1. (dierkunde) benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luizen

luis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luizen
    • Ik luis. 
  2. gebiedende wijs van luizen
    • Luis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luizen
    • Luis je? 

Bijvoeglijk naamwoord

luis

  1. partitief van de stellende trap van lui

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
luir

luis

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van luir