luis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luis
Woordherkomst en -opbouw
  • Verwant met het Engelse louse en het Duitse Laus.
enkelvoud meervoud
naamwoord luis luizen
verkleinwoord luisje luisjes

Zelfstandig naamwoord

luis v/m

  1. (insecten) een meestal vleugelloos insect dat parasiteert op plant, mens en dier
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luizen

luis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luizen
    • Ik luis. 
  2. gebiedende wijs van luizen
    • Luis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luizen
    • Luis je? 

Bijvoeglijk naamwoord

luis

  1. partitief van de stellende trap van lui

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
luir

luis

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van luir